Trésor

Hey Anaïs,

Het is zondag en via een app bestel ik pizza. Vijfenveertig minuten later gaat de bel. Op mijn sokken haast ik me twee verdiepingen naar beneden. ‘Arkasha?’, vraagt de jongen in het deurgat. ‘Raajeev?’, vraag ik terug. Hij knikt verlegen. Zijn schuchtere houding staat in schril contrast met de uitbundige Italiaanse karikatuur op de doos. Terwijl hij me het met vet bevlekte karton aanreikt, werpt hij me nog een stille ‘Smakkelikker’ toe.

Anaïs, hoeveel eenzame zielen zouden vanavond pizza hebben besteld? En hoeveel schuchtere Raajeevs hebben het leven uit hun lijf gefietst om die toch nog semi warm aan ons te bezorgen?

Terwijl ik in mijn steriele witte keuken het deeg in achten knip, denk ik aan Bretagne. Twee jaar geleden bezocht ik daar Gauthier, die in de boerderij van wijlen zijn grootouders woont. Hij speelt er gitaar en zorgt er voor een bende kippen, een kudde schapen, een hond, twee ezels en drie vrienden die bij hem inwonen. Tijdens mijn verblijf krijgen we telefoon van de buren. Eén van de schapen is ontsnapt. Het beest staat in hun tuin de planten op te eten.

De buren bellen naar de vaste lijn, want Gauthier swipet zijn smartphone maar één keer per dag open. De rest van de tijd zit het toestel in het handschoenenvak van zijn auto. Aan take-away doet hij niet, zijn kippen leggen wel eieren. En om hun dieet uit te balanceren, trekken de vier vrienden ’s nachts naar de plaatselijke Carrefour.

Die nacht mag ik mee. We springen over een muurtje, kijken wat schichtig rond en sluipen dan naar twee plastic containers achteraan op de parking. Onder hun deksels zitten bergen bananen en appelsienen, olijven en artisjokken in glazen potten, burrata, brikken vol tomatensaus, zeven pakken chocolade en drie dozen muesli. Ze zijn niet eens vervallen. “Ze worden weggegooid omdat hun etiket fout geprint is”, zegt Gauthier. “Of wanneer er één appelsien rot is, moet het hele netje weg.” We nemen alles mee wat we kunnen dragen. Ik heb zelfs drie pakken rozen onder de arm.

Eenmaal thuis stallen we de buit uit op tafel, ik schat ter waarde van zo’n tweehonderd euro. We ontkurken een fles Bordeaux, gooien bloem en water samen, duwen de brikken tomatensaus uit, snijden de burrata en de artisjokken. Vijfenveertig minuten later komt een pizza uit de oven die veel beter smaakt dan wat er vandaag voor me ligt.

Terwijl ik hier in Antwerpen vanop het designkrukje aan mijn cleane kookeiland het laatste korstje binnensteek, staar ik van mijn laptopscherm naar mijn smartphone en terug. Ik hunker naar afgeleefde bommameubels, naar rock-‘n-roll en rebellie, naar schapen weer over ‘t hek duwen en naar gesprekken in vreemde talen, maar in mijn schermen zitten ze niet. Zou Raajeev pizza lusten?