O-saft

Hey Anaïs,

Het liefst had ik je geschreven over de truien van Marc Van Ranst of de val van Leopold II. Deze brief zou Devos-Lemmens-gewijs druipen van de Belgitude en zo in schril contrast staan met jouw avonturen in Noord- en Zuid-Amerika. Maar het draaide anders uit. Op het moment van schrijven ben ik op weg naar Berlijn.

Mijn lief is namelijk zo’n übercreatieve freelancer die voor bepaalde opdrachten de wereld wordt overgevlogen. Ik spring graag mee op de kar, ook al rijdt die al om 6u30 naar Zaventem.

Ik heb Brussels Airport gemist. Het is een van de weinige plekken waar ik nog zonder schuldgevoel kan niksen. Of voor acht uur 's ochtends een cava kan bestellen.

Vandaag is de sfeer anders. De meeste vroege vogels dragen fluohesjes met PRESS erop en grijpen elke kans aan om ‘de eerste reizigers’ voor hun lens te krijgen. Het is 15 juni, de dag waarop de grenzen met onze buurlanden opengaan. Het is óók de dag waarop een ander virus me te grazen heeft. Op mijn onderlip prijkt een kraterige bergketen genaamd koortsblaas. Ik deed geen moeite om ‘m weg te schminken. Lang leve het mondmasker.

Eenmaal in Kreuzberg waaien mijn lief en ik een kiosk binnen voor onze eerste Club-Mate. Alles klar, gleichfalls, dankeschön, gerne. Ik herbeleef mijn liefde voor de taal die ik studeerde toen jij en ik elkaar ontmoetten. Gabriel daarentegen grijpt elk gebodsbordje aan om Hitler te imiteren. PARKPLATZ FREIHALTEN, roept hij met schelle stem de straten door. Je merkt het, creatiever wordt het niet.

Thuis krijg ik wel vaker ‘Duits is de lelijkste taal die er is’ en ‘Ik haat Duits’ als reactie op mijn studies, maar in Berlijn laat ik geen moment onbenut om Gabriels collega’s ‘wie geht’s?’ te vragen. Daarmee hoop ik dat zij, na enkele zinnen met mij te hebben uitgewisseld, onder de indruk raken van mijn talenknobbel. Ach, es ist wirklich lange her, dass ich noch Deutsch geredet habe, zeg ik er voor de vorm nog bij.

De Berlijnse musea zijn nog niet open, laat staan de nachtclubs, dus naast naar complimenten vissen, verdoe ik mijn tijd met radfahren, Gedenkstätte besuchen en O-saft trinken. Dat laatste staat voor Orangensaft. Erover, geef ik toe.

Met mijn Duitse makker Sven spreek ik af op een terras langs het kanaal. We omhelzen elkaar alsof geen virus onze longen onomkeerbaar zal aantasten en hij toont me negen apps waarmee hij elektrische voertuigen uitleent. Terwijl we aan onze Cappuccino mit Hafermilch nippen, passeren er vrouwen met gestifte lippen, zwierige jurken en pittige kapsels. Hun Birkenstocks moet je ‘r wel bijnemen. Oei, nu ik dit heb geschreven, twijfel ik. Had jij ook geen Birkenstocks?

’s Avonds gaat de zon oranjerood onder en Gabriel en ik gaan Japans eten. Maar nog voor ik Gyozas mit Garnelen kan bestellen, wordt mij mijn kans op Duitse smalltalk afgenomen, want Gabriel begint in het Engels.

Na afloop rollen we naar huis met een Lime-step. Ik heb me in lange tijd niet zo vrij gevoeld, maar dan begint hij opnieuw: “KINDERSPIELGARTEN. HAUPTBAHNHOF. FEUERWEHRZUFAHRT.” Mijn lief lacht mijn lievelingstaal vierkant uit.

 Ik steek hem voorbij. “GENUG!” snauw ik.