Eddy

Hé Anaïs,

Het moment dat ik je over iets onwaarschijnlijker dan een Belgische regering ga schrijven, is gekomen. Ik ben – geloof het of niet – beginnen wielrennen. Voor je grote ogen opzet, zal ik je vertellen hoe dat is gebeurd. Want ik kom van ver.

Mijn beide ouders zijn al sinds mensenheugenis (of toch zolang ik me kan herinneren) bij een wielerploeg aangesloten. Het betekent dat ik begrippen als de Ronde van Vlaanderen en de Muur van Geraardsbergen vooral met alleen thuiszitten associeer. Mijn vader, een sportjournalist, ging elk jaar de Tour de France verslaan. Dat betekende telkens drie weken legendarische verhalen (en feestjes) voor hem en drie weken verveling voor mij.

Na de Tour gingen we met andere gezinnen naar Frankrijk of Italië. Onze ouders reden de bergen in, wij kinderen bleven met een babysit aan het zwembad. Als enige puber van het gezelschap werd ik ook wel eens ingezet om met de chronometer te meten hoe snel iedereen de Mont Ventoux op klom. Leuk.

De rest van de zomer fietste het peloton ons tegemoet vanuit de tv. Maar hoe zeer mijn ouders ook juichten om al die beaderde kuiten, toeters, bellen, gele en rode-bolletjes-truien, het hele circus van helikopters, legendarische wielerhelden (al dan niet vol doping), kusjes van modellen en champagnedouches, het heeft me nooit kunnen boeien. Ik zag vooral extatische commentatoren met onvervulde jongensdromen en zogenaamde helden die geen AN konden praten.

Maar dan kwam er de quarantaine.

Een paar vrienden vormden een fietsploegje en meedoen werd plots een goed excuus om hen te kunnen blijven zien. Als een duiveltje uit een doosje kreeg ik een Eddy Merckx (écht een goed merk, zo werd mij gezegd) in de schoot geworpen. De plusdochter van mijn plusvader deed ‘m weg en ik mocht ‘m hebben. Je merkt het, een ingewikkelde familie, het loont soms.

Qua bonding met mijn ouders kan het ook tellen. Ik kreeg de laatste weken al meer advies dan in de afgelopen 31 jaar. Ze drukken me op het hart welke proteïnebars, fietspompen, framegroottes, snelheidsmeters, fietsknooppunten en kledingmerken ik nodig heb. Ik moet zeggen Anaïs, dat is alsof je een andere taal leert.

En het beste aan deze nieuwe wereld is dat ik mijn oude opnieuw heb leren appreciëren: België.

Op de weg naar Sint-Katelijne-Waver of Niel kruis ik toverachtige boerderijen, korenvelden en kastelen. Door de slogans langs de weg (‘Scharreleieren’, ‘Hoeve-ijs’, ‘Hooi te koop’) voel ik me de hoofdrolspeler in een Man-Bijt-Hond-aflevering.

België is mooier dan ik dacht.